Het project e-traces kaart Web 2.0 aan in de context van de toenemende uitbouw van de controlemaatschappij. Het articuleert zich rond 3 inhoudelijke assen :
- Een site met online verzamelde informatie (artikels, links, dossiers…).
- Een spelproject Yoogle!, nog in een eerste ontwikkelingsfase, waarbij je om beurten de rollen van de verschillende actoren op de markt van de persoonlijke gegevens kan aannemen, en aan ieders manoeuvres kan participeren.
- De algemene context van veralgemeend toezicht dat het onderwerp van acties, besprekingen, werkplaatsen over onderwerpen in verband zoals, bijvoorbeeld, de inwijding aan de werktuigen is (navigatoren, besteldiensten…) behoudend de anonimiteit op Internet.
Hoe Web 2.0 definiëren ?
De meeste onder ons zien Web 2.0 als een verzameling tools die ons in staat stellen berichten te verzenden, webpagina’s te schrijven, foto’s, video’s en muziek met elkaar te delen, online te kopen etc. Deze diensten kennen de gebruiker een centrale positie toe. Dit dankzij eenvoudige, gebruiksvriendelijke en uitnodigende interfaces, evenals door het vrijwaren van een grote vrijheid inzake de configuratie, die de gebruiker het gevoel geven ‘thuis’ te zijn in zijn of haar persoonlijke webruimten. De bedrijven die deze diensten ontwikkelen profileren zich als intermediairs tussen de gebruikers en hun online ervaring.
Volgens de uitgever Tim O'Reilly, een van de emblematische figuren die aan de wieg stond van het concept ‘Web 2.0’, kennen deze nieuwe applicaties een reeks gemeenzame technische karakteristieken en volgen ze een zelfde commerciële logica. Onder de grote principes die hij excerpeert, vinden we onder andere het volgende :
Het web als platform.
Om gebruik te kunnen maken van Web 2.0 heb je enkel een webbrowser nodig. De gehele applicatie draait op de server : de gegevens van de gebruiker zijn er gestockeerd en een webinterface geeft toegang tot alle functionaliteiten. In tegenstelling tot de informaticawereld van de jaren ’80, die software ontwikkelde die op de machine van de gebruiker diende geïnstalleerd te worden, ontwikkelt de wereld van Web 2.0 software die van op afstand toegankelijk is, en zelfs beschikbaar wanneer de gebruiker op vakantie is of wanneer hij/zij van zijn/haar persoonlijke machine overschakelt naar diegene die hij/zij op kantoor gebruikt. Deze situatie, die erg praktisch is voor de gebruikers en gebruiksters, is het ook voor de bedrijven die deze diensten aanleveren : hun bijwerking kan zich voor alle geconnecteerde gebruikers onmiddellijk voltrekken. Een verbetering van het algoritme van een zoekmachine is voor alle gebruikers/gebruiksters beschikbaar. Het is bijgevolg voor de producent niet nodig om zoveel versies te creëren als er systemen bestaan, noch om de gebruikers en gebruiksters te overhalen om een update op hun machine uit te voeren.
Het web en het heel web
De bedrijven van Web 2.0 ontwikkelen applicaties die zich op het web in zijn geheel richten en op al haar gebruikers en gebruiksters. Het gaat dus niet gewoon om pakweg tweehonderd belangrijke cliënten, maar om miljoenen en miljoenen gebruikers. Elke persoon die een blog heeft, hoe klein en gespecialiseerd ook, heeft het recht om publicitaire boodschappen te plaatsen.
In de verveelvoudigde wereld van Web 2.0 bestaan er geen onbelangrijke actoren, want eens bij elkaar opgeteld, telt iedereen mee. Uit de wereld van Web 2.0 haalt men nooit slechts klein profijt.
Profiteren van de collectieve intelligentie
Het web lijkt het evenbeeld van een groot brein. Hoe talrijker de synaptische verbinden zijn, hoe groter ook de intelligentie is. Hoe talrijker de verbindingen en connecties, hoe beter de informatie circuleert. Web 2.0 biedt aan de internauten eenvoudige middelen om te classificeren, zaken naar elkaar te laten refereren, te filteren, samen te werken. Deze tools functioneren op een “horizontale” wijze, wat wil zeggen dat ze de kleinst mogelijke hiërarchie impliceren, en de structuur extraheren die zich volgens de keuzes en de acties van de internauten ontwikkelt. De tagclouds vervangen de taxonomieën, elke blogger kan er een andere becommentariëren. Dit laat zeer interessante realisaties toe zoals de creatie van online encyclopedieën, fundamentele vergaarbakken van kennis, onophoudelijk herlezen en gecorrigeerd, verbeterd en gecompleteerd door duizenden mensen, maar ook diverse publicaties, kritische journalistiek, discussies waarin talrijke participanten betrokken zijn, evenals de creatie van virtuele gemeenschappen.
Maar dit is natuurlijk ook een uitgelezen hulpmiddel voor de virale marketing, waarbij de gebruikers en gebruiksters merken en producten langzamerhand en van niche tot niche verspreiden. Men is nooit zo ontvankelijk voor een product als binnen een kader dat ons vertrouwen wekt, als in de ruimte van iemand waarmee we de keuzes, smaak, interesses en opinies delen.
De controle behouden over gegevensbronnen die moeilijk te recreëren zijn en die al naar gelang hun gebruik verrijkt worden.
Maar aan wie behoren nu deze gegevens, die aan de basis liggen van deze collectieve intelligentie, toe?
Aan de internauten die ze creëren of aan de bedrijven die ze op hun servers accumuleren? Deze gegevens zijn welteverstaan de reële waarde van de bedrijven van Web 2.0, enerzijds door hun overvloedigheid, maar bovenal omdat ze moeilijk ex nihilo te creëren zijn. Ze zijn inderdaad begerenswaardig voor zij die er op belust zijn de gedragingen van de consumenten, de opinies van een segment van de populatie etc., te analyseren.Kortom, het bezitten van een aanzienlijke basis aan gebruikersgegevens bevordert voor de bedrijven van Web 2.0 een exponentiële groei: hoe meer een zoekmachine een groot deel van het web zal indexeren, hoe meer mensen haar zullen gebruiken en in haar resultaten zullen willen figureren. Hoe meer een site voor online verkoop aanbevelingen van haar gebruikers verzamelt, hoe meer deze ook producten zullen vinden die nauw aansluiten bij hun voorkeuren.
Ook al vrezen we Big Brother, dit alles speelt zich af alsof we vrijwillig de meest intieme informatie aan een resem ‘little brothers’ toevertrouwen, van wie het schijnbare doel is ons het leven gemakkelijker te maken, maar die in feite tersluiks onze persoonlijke gegevens verzamelen en opslaan.
De grote actoren van Web 2.0 (Google, Yahoo!, Microsoft ...) breiden zich uit en rivaliseren door middel van een aankooppolitiek van websites voor het delen van bestanden, portaalsites, e-commerces, sociale netwerken … Op deze wijze kunnen ze de correlatie diagnosticeren tussen de gegevens die door de gebruiker ingevoerd werden op sites met verschillende identiteiten. De bezoeker gebruikt de diensten, neemt deel aan community websites, brengt in alle vertrouwen gegevens in, zonder dat hun naderhand gebruik duidelijk gedefinieerd wordt. De bepalingen van de dienst laten het aan zijn eigenaar nochtans toe om ze in extreem verschillende contexten buiten de controle van de gebruiker, te exploiteren.
Persoonlijke gegevens : een nieuw petroleum?
Het geheel van deze gegevens laat de gespecialiseerde firma’s in gedragsmarketing toe om onze profielen als consument, burger en werknemer op te stellen, en ze te verhandelen aan geïnteresseerde cliënten.
De commerciële firma’s interesseren zich in de gegevens die te maken hebben met de consumptie en de koopkracht. De werkgevers interesseren zich in de gegevens die te maken hebben met gezondheid, stabiliteit (économique ?) en opinies. De firma’s van de sociale zekerheid, van verzekeringen, en de staat, interesseren zich in gegevens aangaande gezondheid, gedrag en stabiliteit.
In onze consumptieve context heeft men het met de studie van deze profielen gemunt op de portefeuille van de internaut, maar in meer autoritaire regimes draagt ze reeds bij aan de toenemende uitbouw van een benadrukte sociale controle.
